De waternoodsramp of watersnood van 1953

De waternoodsramp of watersnood van 1953, ook wel de Beatrixvloed voltrok zich in de nacht van 31 januari op 1 februari 1953. …

Ontstaansgeschiedenis van Goeree-Overflakkee

Inleiding
Goeree-Overflakkee heeft een rijke geschiedenis en datzelfde geldt voor de verschillende plaatsen op het eiland. Ieder dorp heeft een eigen verhaal, evenwel met de nodige onderlinge overeenkomsten. Op deze pagina treft u van ieder dorp en van allerlei onderwerpen betreffende het eiland informatie aan. Ook wordt u doorverwezen naar publicaties waarin meer gegevens zijn te vinden.

Ontstaansgeschiedenis van het eiland
De tijd laat zijn sporen na. We zien dit ook in het landschap van het eiland Goeree-Overflakkee. Door ingrijpen van de mens is het eiland gevormd, in cultuur gebracht. We zien dat in het laatst van de 20e eeuw diezelfde mens meer ruimte gaat geven aan de natuur. Of het nu ‘echte’ of ‘gemaakte’ natuur is, daarover lopen de meningen uiteen. Eén ding is zeker: de mens heeft ook nu weer de regie in handen. Maar af en toe is de natuur de baas, zoals we hebben gezien bij de verwoestende Watersnoodramp van 1953. Het is deze ramp geweest, die een groot stempel heeft gezet op de huidige vorm en de toestand van het eiland en zijn bewoners.

Hoe zag Zuidwest Nederland, het gebied waar thans Goeree-Overflakkee in is gelegen, er in het begin van jaartelling uit? Kaartmateriaal uit die tijd is niet aanwezig. Hooguit zou nog iets kunnen worden gevonden in beschrijvingen van Romeinen die in deze contreien hebben vertoefd, maar ook uit deze geschriften worden we niet zo erg veel wijzer. In het jaar 297 schreef een Romein: “Dit gebied is bijna geen land, zozeer is het met water doordrenkt, dat de bodem niet alleen, waar zij duidelijk drassig is meegeeft en de voeten opzuigt, maar ook waar ze iets vaster schijnt te zijn, door voetstappen in beweging wordt gezet.” Deze beschrijving dateert uit een tijd, dat de Romeinen wegtrokken uit dit gebied. Uit archeologisch onderzoek weten we, dat op de kop van eiland, i.c. het voormalige eiland Goeree over een langere periode Romeinen waren gevestigd. Overigens zijn er ook aardewerkscherven gevonden uit de IJzertijd (350-200 vóór Chr.). Terug naar de Romeinen. Of het nu wel ‘echte’ Romeinen zijn geweest, of mensen van ‘inheemse’ komaf, is niet met 100% zekerheid te zeggen. Wel weten we, dat zij vanaf circa 75 na Chr. tot ver in de 3 e eeuw hier hebben gewoond.

Tot zover de archeologie. Wat heeft de geologie ons te vertellen? Aan het begin van onze jaartelling ligt er vóór de huidige kust een strand- of schoorwal. Op deze wal hebben zich duinen ontwikkeld, zodat het achterland redelijk tot goed beschermd is tegen de zee. Dit achterland, een veengebied waarin moerassen door bosschages en heidegronden werden afgewisseld. Door dit gebied kronkelden diepe en ondiepe geulen.

Na een tijd van relatieve rust – de periode dat de Romeinen waren gevestigd op Goeree – neemt de invloed van de zee weer toe. Sinds het einde van de 3 e eeuw zorgen overstromingen ervoor, dat er getijdegeulen en steeds grotere gaten in de strandwal slaan. Het zeewater spoelt op sommige plaatsen grote stukken veen weg, maar zet tegelijkertijd een laag klei af. Waar het veen blijft zitten, wordt vruchtbare zeeklei op het veenpakket afgezet.

Over de volgende eeuwen is eigenlijk weinig bekend. De invloed van de zee blijft groot en dit kustgebied zal geen ideale plaats zijn geweest voor bewoning. Toch is het niet uitgesloten, dat er in de buurt van het huidige Ouddorp ook gedurende deze tijd permanent mensen hebben gewoond. Archeologische vondsten staven dit. De zogenaamde strandwal komt meer richting huidige kustlijn te liggen. De getijdegeulen veranderen in rivieren en jaar in jaar uit geeft en neemt de zee. Kortom, de delta is een dynamisch geheel waar de krachten der natuur vrij spel hebben.

In de 8 e eeuw wordt de zee rustiger en het klimaat gematigder, waardoor het gebied interessanter wordt voor de mens. Volgens oude kronieken zou het Oudeland van Diepenhorst in de 7 e eeuw zijn ontstaan, maar dat kan niet met zekerheid worden aangetoond. Wel zijn er Merovingische aardewerkscherven gevonden, waardoor deze beweringen zeker niet naar het rijk der fabelen behoeven te worden verwezen. In oude geschriften wordt melding gemaakt van aanvallen door Noormannen in de 9 e eeuw in deze contreien. In 1105 is er sprake van de pastoor van Fornhe, en in 1165 komt de naam Westvoorne tevoorschijn als er gesproken wordt over “terram in Westforri”. In de jaren 1170 en 1173 worden het Oudeland van Diepenhorst en de Oude Oostdijk door overstromingen getroffen.

Vanaf de 5 e eeuw zouden de zogenaamde Jonge Duinen, de huidige zeeduinen, verder groeien. Eigenlijk kunnen we stellen, dat Goeree al een eilandje is. Over de situatie van het huidige Overflakkee in die tijd is weinig te zeggen. Het is een veengebied, dat regelmatig is blootgesteld aan overstromingen waardoor een grimmig landschap is ontstaan. Met name voor het aanwezige veen wordt steeds meer interesse getoond.

De huidige kerk en toren van Ouddorp vertonen nog diverse oude bouwsporen, die een hoge ouderdom verraden. Deze kerk is daarom niet het eerste kerkgebouw van Ouddorp. Zo is onder meer bekend, dat de heer Van Klepperstee in het jaar 1100 een geldbedrag heeft geschonken voor een toren en een kerk. Nabij Ouddorp wordt in de 13 e eeuw door de heer van Voorne een zogenaamd Mottekasteel opgericht, dat onder de naam ‘Spreeuwenstein’ bekend staat. Bij een dergelijk type kasteel c.q. versterkt huis is het hoofdgebouw gelegen op een door een gracht omgeven steile heuvel. Het versterkte huis is tevens voorzien van een ommuring. In de directe nabijheid van de heuvel liggen enkele gebouwen, veelal boerderijen. In noodgevallen, bij hoog water of bij vijandige aanvallen, kan men zich terugtrekken op de heuvel. Hoe het kasteel er precies heeft uitgezien, is niet bekend. Een afgevlakte heuvel is de enige tastbare herinnering. De omgeving van Ouddorp is rijk aan tastbare overblijfselen uit het verleden. Zo gaat een belangrijk deel van het wegennet terug tot in de Middeleeuwen, is er het kleinschalige schurvelingengebied en herkennen we op sommige plaatsen nog het veervormige verkavelingpatroon. De overwegend kleine kavels, hierbij liggend aan weerszijden van een sloot of watergang, liggen niet in elkaars verlengde of lopen parallel, maar staan onder een bepaalde hoek (ca. 135°) ten opzichte van elkaar. Op het eiland wordt ook een stadje gesticht: Goedereede. Dit stadje groeit dor zijn gunstige ligging, zowel qua hoogte (duinen) als ten opzichte van de scheepvaart op Engeland, uit tot een plaats van betekenis. Al in 1312 krijgt Goedereede stadsrechten en vele andere privileges volgen. Aan het begin van de 16 e eeuw hebben verscheidene koopvaardijschepen hier hun thuishaven. Vanwege het ontstaan van ondiepten vóór de haven komt er vrij abrupt een eind aan de groei en bloei van het stadje.

De vorming van Overflakkee
In de late Middeleeuwen is het homogene veengebied, gelegen achter de resten van de standwal, door het uitschuren van de aanwezige geulen en de met enige regelmaat voorkomende overstromingen uiteen gevallen tot een wirwar van eilandjes, schorren en platen. Op de eilandjes, zoals Goeree, is permanente bewoning mogelijk, maar op de schorren en platen zijn alleen in de zomermaanden mensen aanwezig. Hier komen we vissers, schaapherders en moerders (veendelvers) tegen. Om zo nu en dan een droog heenkomen te kunnen vinden, worden heuveltjes opgeworpen, de zogenaamde vloedhillen, vluchtheuvels of stellen. Hiervan zijn op enkele plaatsen nog restanten aangetroffen. Op de stellen komen welputten voor waaruit zoetwater (drinkwater) kan worden gehaald voor mens en dier (schapen). Ook vestigt men zich tijdelijk op hoger gelegen kreekruggen. Bij Ooltgensplaat zijn zelfs huisplattegronden, daterende uit de 13 e en 14 e eeuw – dus nog vóór de bedijkingen – gevonden.

De schorren – een onbedijkt gebied dat alleen bij hoge vloed onderloopt – zijn voorzien van een gevarieerde vegetatie. Dr. J. Verseput geeft de volgende omschrijving: “Op deze weiplaten tekende de aardbeiklaver met de rode vruchten zich als een donkere plek af, terwijl de kleur geelachtig oplichtte op die plaatsen, waar zeepostelein geworteld was. Waar de schapen niet konden komen groeiden kruisdistels, duizendguldenkruid en zeekraal. Waar het plantenkleed ophield begon het grijze slik, waar de zeepier leefde. Tijdens de eb zag men van deze dieren niets anders dan de talrijke torentjes, waarbinnen zij zich teruggetrokken hadden, maar dit werd anders tijdens het hoge water. Verder naar buiten werd het slik begrensd door een steile rand, waaraan de stroom steeds knaagde, maar ondanks deze aanvallen nam, mede door de werkzaamheden der organismen, de omvang der platen steeds meer toe. De plaatsen waar de zeehonden lagen te zonnen, werden steeds groter en de plantengroei kon steeds meer terrein winnen.”

De eigenaren van de schorren en slikken – de heren van Voorne en Putten – willen vanzelfsprekend een zo hoog mogelijke opbrengst van de platen en schorren. De uitgifte ‘ter moernering’ zorgt voor een winstgevende exploitatie. In het deltagebied is onder een dunne kleilaag namelijk met zout water doordrenkt veen aanwezig. Dit veen – de darinck of derrie – kan worden uitgegraven om brandstof te krijgen, maar ook om zout te winnen. Het zogenaamde darinckdelven wordt ook wel moeren genoemd. Het afgraven van het veen was niet nieuw. Bij de ontdekking van IJzertijdvondsten (350-200 vóór Chr.) nabij Ouddorp zijn ook sporen van moernering aangetroffen. Alvorens over te gaan tot moernering werpt men van de dunne kleilaag lage moer- of zomerdijkjes (vgl. Sommelsdijk) op, die de werklieden bescherming moeten bieden tegen hoog water. Het uitgegraven veen wordt op stapels te drogen gezet om zo turf te krijgen. Turf is van oudsher in Nederland de belangrijkste brandstof. Voor de zoutwinning wordt de turf verbrand tot as: de zel-as. Met kleine platboomdscheepjes, vaak zogenaamde vletten of clinckers (vgl. Klinkerland), wordt dit product vervoerd naar zoutziederijen. Dergelijke zoutketen zijn te vinden in Brielle, Zierikzee en Zevenbergen. Hier wordt de zel-as verder bewerkt. Door de opkomst van het uit Spanje en Frankrijk afkomstige baaizout wordt het zelzout verdrongen. Eerst toen worden de verbodsbepalingen tegen de moernering uitvoerbaar. Door het moeren wordt het bodemoppervlak verlaagd. Is men op een bepaalde plaats uitgemoerd, dan wordt het land weer aan de elementen prijsgegeven; spoedig vervallen de moerdijken en de zee kan weer bezit nemen van de uitgemoerde streken. Er wordt dus eigenlijk roofbouw gepleegd. De gevaren voor de omliggende gebieden en het verlies van land, zijn voor Keizer Karel V de reden om een verbod op het moeren af te kondigen, maar toen behoorde de moernering reeds bijna tot het verleden. Zo worden de grote verwoestingen ten gevolge van de St. Elisabethsvloed van 1421 in belangrijke mate toegeschreven aan de intensieve moernering in dit gebied. De St. Elisabethsvloed is niet te zien als een incident, maar meer als de finale van een reeks kleinere vloeden. Overigens zal juist deze enorme overstroming ertoe kunnen hebben bijgedragen, dat de inpolderingen op Overflakkee in een stroomversnelling geraakten. De vloed spoelde niet alleen veel veen weg, maar zal ook een aanzienlijke hoeveelheid klei hebben afgezet. Is het niet de vloed, dan zijn het wel de gevolgen ervan, zoals de vergroting c.q. vorming van een zeearm aan de noordzijde, het Haringvliet. De verder inkomende zee versnelt de opslibbing van de platen en schorren.

Na het moeren komt de tijd van bedijkingen. We zijn inmiddels gearriveerd in de 15 e eeuw. De vroegere moerlanden slibden steeds verder op en de eigenaren van de platen en schorren gaan over tot het aanleggen van winterdijken, waardoor er polders ontstaan, die het gehele jaar droog komen te liggen: de bedijking tot korenland. Vanaf dat moment worden de polders permanent bewoond door de mens en worden dorpen gesticht. Als we in de geschiedenis duiken van deze plaatsen, dan dateren de oudste vermeldingen in archieven veelal uit de tijd, dat er nog geen dorp was gesticht: de tijd van de moernering. Sommige plaatsnamen of namen van dijken, polders of percelen land herinneren nog aan de zoutwinning, die ooit in deze streek werk bood aan een groot aantal werklieden en handelaars. Maar de moernering heeft ook meer tastbare sporen nagelaten. Zo kon men in de jaren 60 van de 20e eeuw in een onder water gelegen slik nabij Herkingen de oude moerputten nog duidelijk waarnemen. Ook zijn bij laag avondlicht in de oudere Flakkeese polders de plaatsen, waar in het verre verleden intensief gemoerd is, soms nog zichtbaar.

Als eerste is de polder Dirksland (1415) aan de beurt om te worden bedijkt, vijf jaar later gevolgd door Herkingen. Zo maakten de schorren en platen geleidelijk aan plaats voor vruchtbare polders. In de tweede helft van de 15 e eeuw volgen Grijsoord (1438), Middelharnis-Sommelsdijk (1465) en Ooltgensplaat (1483). Nu zijn er vier kerneilanden gevormd waartussen brede geulen lopen. De geulen gaan echter verzanden, waardoor aanwassen ontstaan, die op hun beurt ook weer bedijkt worden. Zo groeien de vier kerneilanden uit tot één eiland. Rond 1600 is Overflakkee al een flink eiland.

In 1452 heeft Filips van Bourgondië een verbod uitgevaardigd voor het afgraven van binnendijken. Door nieuwe bedijkingen vervallen de dijken van eerder ingedijkte polders tot slaperdijken, dus dijken zonder waterkerende functie. In de oudere delen van Zeeland wilde men deze dijken nogal eens afgraven teneinde meer bouwland te verkrijgen. Bij een dijkdoorbraak liep dan eensklaps een groot deel onder. Wanneer er nog slaperdijken aanwezig zijn, kan de schade veelal worden beperkt. Overflakkee – voor een belangrijk deel ontstaan na het uitgevaardigde verbod – bestaat daarom nog een stelsel van dijken. Bij de Watersnoodramp van 1953 hebben diverse binnendijken het water kunnen weerstaan, zoals de dijk rond Dirksland nota bene de oudste dijk van het eiland Overflakkee.

Als we het Flakkeese landschap vergelijken met de oude polders in Zeeland zijn er enkele kenmerkende verschillen, zoals de verkaveling. Bij de Zeeuwse polders is het zo, dat er veelal jarenlange permanente bewoning heeft plaatsgevonden, eer er tot bedijking wordt overgegaan. Zo stond er vaak al een kerk en was het land al grotendeels verkaveld. Bij de inpoldering van Dirksland en de andere oude polders van Flakkee is de situatie anders. Afgezien van enkele tijdelijke bewoners is de nieuw bedijkte polder nog onaangeroerd. Na de bedijking vindt een verkaveling plaats en wordt de verdere waterhuishouding in goede banen geleid, wel gebruik makend van aanwezige watergangen, maar niet gehinderd door of afhankelijk van bestaande situaties. Zo kunnen vrij rechte percelen worden verkavelend en kaarsrechte wegen worden aangelegd. Kortom, de inpolderingen van de grote Flakkeese polders zijn qua schaal en aanpak niet alleen groter en grootser dan de oude Zeeuwse polders, maar zij konden ook beter worden ingericht naar de wensen van de bedijkers.

De daadwerkelijke inpoldering geschiedt door een soort ‘aannemers’ die de uitvoering van dit werk en tevens de verdere exploitatie op zich nemen. Ter compensatie voor de verrichte inspanningen krijgen alle ambachten de ambachtsheerlijke rechten met de middelbare en lage jurisdictie en verder alle rechten die maar mogelijk zijn (en dat is niet gering). Dit verklaart het ontstaan van de verschillende ambachtsheerlijkheden en de – tot aan de gemeentelijke herindeling van 1966 – soms grillig lopende gemeentegrenzen. Bestuurlijk valt Goeree-Overflakkee onder Voorne en Putten. De situatie is vrij complex en ziet er als volgt uit:

De landen, die onder Voorne ressorteren zijn te verdelen in Westvoorne (Goeree) en Zuidvoorne. Op eerstgenoemd eiland liggen vier ambachten (later heerlijkheden) die ieder eens schout en schepenen hebben, namelijk: het Oudeland, het Oude-Nieuwland, het West-Nieuwland en de Oude-Oostdijk. Daarnaast ligt er het stadje Goedereede met omliggende polders, waar baljuw en schepenen ook de hoge rechtsmacht uitoefenen. Het dorp Ouddorp is gelegen in het Oudeland (van Diependorst). Het andere deel, Zuidvoorne, (of ‘Voorne Over Flakkee’) omvat de heerlijkheden Roxenisse, Melissant, Onwaard, Dirksland, Herkingen, Klinkerland en Grijsoord (Oude en Nieuwe-Tonge). Behalve deze landen op Overflakkee, maakt tot 1686 ook Bommenede op Schouwen (!) deel uit van Zuidvoorne. Bommenede is dus Hollands grondgebied in Zeeland. Het dorpje verdwijnt echter in de golven. Anders gaat het met Sommelsdijk, een Zeeuwse enclave midden op Overflakkee. Sommelsdijk blijft zelfs tot in 1805 vallen onder Zeeuws bewind. Het overige deel van Overflakkee: Middelharnis, Stad aan ’t Haringvliet en St. Adolfsland (Ooltgensplaat en Den Bommel) ressorteert onder de heren van Putten. De officiële naam voor Middelharnis is St. Michiel in Putten, maar deze naam raakt niet ingeburgerd.

Voor Westvoorne (Goeree) en ‘Voorne Over Flakkee’ wordt de hoge rechtspraak uitgeoefend door de Hoge Vierschaar van het land Voorne te Brielle. Westvoorne is binnen Voorne een aparte bestuurlijke eenheid met een (substituut) baljuw, later tevens schout van Goedereede en mannen van beschikke. Zij oefenen de middelbare jurisdictie uit, die zowel in West- als Zuidvoorne wezenlijk iets voorstelt. Klinkerland is een hoge of halsheerlijkheid, waarvan de rechtbank is gevestigd in het raadhuis van Nieuwe-Tonge. In de landen van Putten, gelegen op Overflakkee, is alleen Middelharnis een hoge heerlijkheid. Stad aan ’t Haringvliet en st. Adolfsland vallen wat de hoge rechtspraak betreft rechtstreeks onder de Ruwaard van Putten te Geervliet. De zware criminele zaken binnen Sommelsdijk worden berecht in Zierikzee.

Aan een bedijking zijn diverse bepalingen verbonden. Al naar gelang van de kostbaarheid van het dijkwerk moet een bepaalde hoeveelheid grond aan de ambachtsheer worden afgestaan, de zogenaamde vronen of vroonlanden. Deze landen dienen vrij te zijn van dijk- en soms ook van andere lasten, dit in tegenstelling tot het overige deel van de grond binnen de bedijking, het dijkers- of kostbaar land. Ook voor de kerk moet een hoeveelheid grond worden afgestaan. Bovendien dient grond vrijgemaakt te worden voor de door de bedijkers te stichten kerk met het kerkhof en voor het dorp.

De meeste inpolderingen worden in de tweede helft van de 15 e eeuw uitgevoerd, maar ook in de 16 e eeuw vinden nog enkele (grotere) bedijkingen plaats. De werkzaamheden die voor een inpoldering dienen te worden verricht, verschaffen veel arbeiders werk. Die zijn voornamelijk afkomstig uit Vlaanderen, West-Brabant en de omliggende eilanden. Na de voltooiing van een inpoldering keren zij weer terug naar huis of besluiten zich te vestigen in het nieuwe, op de zee veroverde land. In de jonge polders ontstaan vrij spoedig na de bedijking de eerste nederzettingen.

Aan de bedijkingen zijn verschillende bepalingen verbonden. Zowel voor de landsheer als voor de kerk zijn bepaalde voordelen bedongen. Afhankelijk van de kostbaarheid van het dijkwerk moet een bepaalde hoeveelheid grond aan de heer worden afgestaan: de vronen of vroonlanden. Deze zijn vrij van dijklasten en soms ook van andere lasten, in tegenstelling tot het overige land binnen een bedijking: het dijkers- of kostbaar land. Aan de kerk wordt ook een hoeveelheid grond afgestaan: het kerkenland.

Bij een inpoldering wordt er rondom een plaat of schor een dijk aangelegd. De in het landschap aanwezige niveauverschillen, vroegere vluchtheuvels, de er doorheen kronkelende geulen en de littekens van overstromingen worden hierbij niet of slechts ten dele uitgewist. Er wordt zelfs dankbaar gebruik gemaakt van de geulen: zij gaan onderdeel uitmaken van de uitwatering van de jonge polders. Hiertoe worden rechte sloten gegraven, die uitmonden in de soms grillig lopende kreken. Op het punt waar de kreek bij de dijk komt, wordt een uitwateringssluis gemaakt, eerst van hout en later van steen. Door de sluis kan bij eb het overtollige polderwater worden afgevoerd. Het is op dit punt waar men veelal een dorp sticht, want aan de andere kant van de dijk is door het van oudsher lozen van water een geul uitgesleten. Voor een haven en daarmee voor een dorp was dit ideaal punt: een haven was immers van levensbelang.

In de uitgiftes ter bedijking hebben de heren doorgaans bepaald, dat er een kerk gesticht moet worden. De kerk wordt het middelpunt van het nieuwe dorp. Plaatsbepalend is zoals gezegd de aanwezigheid van een (oude) kreek, waarvan een deel dienst kan gaan doen als haven. Zo worden willekeurig één of meerdere dorpen in de polder gesitueerd. Als stedenbouwkundige opzet van de meeste 15 e-eeuwse dorpen op het eiland is gekozen voor het zogenaamde ringdijkdorp. Eén van de belangrijkste elementen van dit nederzettingstype is de kerkring met gracht. Rondom de kerkgracht worden huizen, boerderijen en schuren opgericht. Een ander typisch kenmerkvan de nieuwe dorpen is de tussen de Kerkring en de zeedijk liggende hoofdstraat: de Voorstraat. Achter de Voorstraat en de Kerkring liggen de Achterwegen. Buitendijks vormt de haven de verbinding met de buitenwereld. Ook op de zeedijk worden huizen gebouwd. De dorpsvorm wordt mede bepaald door de beschikbaar gestelde ruimte binnen een bedijking en de bodemgesteldheid ter plaatse.

De oudste boerderijen zijn meestal gelegen nabij een dijk. Een dijk is niet alleen veilig, maar de dijken vormen onderling ook een stukje infrastructuur. De naam ‘Dijkzicht’ voor een boerderij komt dan ook meermalen voor. Toch is het aantal hofsteden in de Flakkeese polders gering. Tot in de 20 e eeuw komen we het fenomeen dorpsboer veelvuldig tegen. Diverse boeren kiezen ervoor zich in het dorp te vestigen. Daar aan de Achterwegen hebben zij hun schuren en wagenhuizen. In Goedereede, Middelharnis en zeker in Sommelsdijk treffen we nog verscheidene van deze veelal houten schuren in de oude dorpskern aan. In de afgelopen eeuw zijn er echter veel van dergelijke schuren afgebroken. Een ander veelvoorkomend gebruik is de opslag van de oogst, b.v. aardappelen, uien en voederbieten, op het land in zogenaamde putten of op hopen. Men spaart hiermee bergruimte uit of heeft in zijn geheel geen schuur nodig. Overflakkee is van oudsher een akkerbouwgebied geweest, waaraan de veeteelt ondergeschikt was. Paarden zijn nodig voor trekkracht en het vee voor een belangrijk deel voor de mestproductie. In het begin van de 16 e eeuw is er sprake van de teelt van granen, vlas, winterrapen en meekrap.

De oude kreken zijn van belang voor de afvoer van de landbouwproducten. Dit geschiedt met platboomdscheepjes. Door de gunstige ligging van de eilanden ten opzichte van goed bevaarbare riviermonden en de beschikking over vele havens ontwikkelen zich welvarende plaatsen. De jonge polders leveren goede oogsten. Daarnaast is de visserij een belangrijk bestaansmiddel. De vis wordt onder andere verhandeld naar Engeland en Brabant.

Het waterrijke gebied zorgt er niet alleen voor, dat de visserij en scheepvaart kunnen floreren; het vormt tevens een gevaar. Regelmatig heeft men te kampen met overstromingen, waarbij niet alleen de oogst en het vee verloren gaan, maar waarvan zo nu en dan ook mensen het slachtoffer worden. Met name de Allerheiligenvloed van 1 november 1570 en de grote watervloed van 26 januari 1682, waarbij 28 polders overstromen, hebben veel schade aangericht. Maar ook kleinere overstromingen, waarbij slechts een of enkele polders invloeien, komen zo nu en dan voor. Op sommige plekken vinden we nog sporen van dijkdoorbraken, de zogenaamde welen of wielen. Het zijn de restanten van vroegere stroomgaten ter plaatse van een dijkdoorbraak. Met man en macht wordt het gat in de dijk gedicht door om het diepe spoelgat, de weel, een dijk te leggen. Hierdoor ontstaat een opvallende kromming in het dijklichaam. Diverse welen zijn verdwenen, omdat dijken later zijn rechtgetrokken, maar gelukkig zijn nog een aantal van deze ‘littekens’ in het landschap aanwezig, zoals het Groote Gat bij Ooltgensplaat.

De zestiende eeuw
Rond 1500 vormen de kerneilanden Dirksland, Grijsoord en Middelharnis-Sommelsdijk reeds een geheel. Ooltgensplaat ligt dan nog eenzaam aan de oostkant, maar niet voor lang meer. In de eerste helft van de 16 e eeuw wordt in rap tempo het tussenliggende deel ingepolderd, zoals de polders de Oude en de Nieuwe Stad, De Tille, Den Bommel en De Galathee. In een octrooi van Keizer Karel V uit 1551 is sprake van: “een groot eijlant geheeten ons vlacke, lancx den welcken men ten vasten landen gaen mach, hebbende tegenwoordelijck in sijn beslooten thien prochiekerken ofte dorpen daer aff de meestendeel heeft ambochts¬heerlijcheyt als Dircxlant (d’ welck aldaer d’ eerste en outste land is) ende Ouwe Tonge, Nieuwe Tonge, Sommelsdijck, Middelharnisse, Oolkensplate, Melesant, Herkinge, de Stadt en Rooxenisse”. Het dorp Roxenisse, gelegen nabij Melissant, is bij de Allerheiligenvloed van 1570 verdwenen. Overigens zijn er meer dorpen verloren gegaan, zoals oud-Herkingen, De Oude Wereld, een nederzetting vóór de kust van Goeree, en Zomerland, een nederzetting op een eilandje met dezelfde naam dat heeft gelegen tussen Goeree en Overflakkee.

De Reformatie op het eiland vindt niet van de ene op de andere dag ingang. Van een beeldenstorm en dergelijke is geen sprake. De oude, rooms-katholieke kerken blijven zonder noemenswaardige aanpassingen in gebruik. Wel zijn enkele mensen wegens ketterij ter dood gebracht. Niet alle pastoors worden direct vervangen. Sommigen schakelen over op ‘de nieuwe leer’ en worden daardoor ook wel tot de eerste predikanten gerekend. Met name in de plaatsen Ouddorp, Middelharnis en Sommelsdijk komen al vroeg menisten voor De Ouddorpse gemeente bestaat nog steeds, maar de gemeente Middelharnis/Sommelsdijk wordt in het begin van de 19 e eeuw opgeheven. Aan het eind van de 16 e eeuw heeft het katholicisme afgedaan, maar omstreeks 1650 stichten Jezuïten een missiestatie te Oude-Tonge. Ondanks enkele incidenten in de beginjaren, wordt het opdragen van de Heilige Mis – officieel in het verborgene – getolereerd. Van groot belang hierbij is de invloed van de toenmalige ambachtsheren van Grijsoord, waarin Oude-Tonge is gelegen.

De zeventiende eeuw
Het eiland heeft aan het eind van de 15 e eeuw al aardig vorm gekregen, alleen ligt tussen Oude Tonge en Ooltgensplaat nog een forse inham. Met de inpoldering van de Groote Blok en Magdalenapolder in 1600 krijgt de oostzijde van het eiland al meer body, maar Oude Tonge blijft tot het midden van de 17 e eeuw direct aan het water liggen. Door de bedijking van de Suijspolder en de Nieuwe Blok en Heerenpolder in 1647 komt Oude Tonge meer landinwaarts te liggen.

In tijden van oorlog is men kwetsbaar. Gedurende Tachtigjarige Oorlog en later gedurende de oorlogen met Engeland moet men zichzelf kunnen verdedigen. In Ooltgensplaat wordt een versterking gebouwd, terwijl bij Ouddorp een schans en andere verdedigingswerken worden aangelegd. Daarenboven beschikken de meeste dorpen over een klein versterkt gebouwtje: de redoute of ronduit.

Doordat het stadje Goedereede steeds slechter per schip bereikbaar wordt, raakt het in verval. Een deel van de handel, en met name de visserij, verplaatst zich naar Middelharnis dat over een goede haven beschikt. Middelharnis gaat daardoor een bloeiende toekomst tegemoet. Mede bepalend is de oprichting van een visafslag, die lange tijd van grote betekenis is. De bevolking van Middelharnis neemt dan ook snel toe: in de eerste helft van de 17 e eeuw stijgt het aantal huizen met zo’n 50%. Ook het nabijgelegen Sommelsdijk wordt door de handel al snel een plaats van betekenis. Hier krijgt men reeds in 1486 het recht tot het mogen houden van een vrije week- en jaarmarkt. Daarnaast beschikt men over tal van andere vrijheden. Sommelsdijk is een Zeeuwse enclave op Hollands grondgebied. Deze unieke positie maakt deze plaats bijzonder aanlokkelijk voor handelaars en ambachtslieden.

Als we het beroemde schilderij ‘Het Laantje van Middelharnis’ van Meindert Hobbema bekijken, zien we dat de omgeving van Middelharnis anno 1689 bestaat uit een gecultiveerd landschap. Op het schilderij is echter geen boer te zien. We zien wel een boomkweker, een jager en verder enkele mensen die staan te praten of gewoon onderweg zijn. Het enige teken van agrarische activiteit is de meestoof. De boomkweker rechts en de kleine boompjes aan de linkerzijde duiden op tuinbouw. De boomkweker is bezig de boompjes te snoeien, naar zijn hand te zetten net als dat gedaan is met de lange, getopte bomen langs de weg. Uiterst links is nog sprake van een stukje bos, maar het overige deel van dit vergezicht op Middelharnis toont de aanschouwer een door mensenhanden gemaakt landschap. Wellicht daardoor is dit landschapsschilderij zo bekend. Het wijkt duidelijk af van de vele schilderijen uit die tijd waar de ongerepte natuur nog is te zien. Door de ordening van het landschap is het schilderij bijna een abstract kunstwerk. Of Overflakkee in die tijd zo leeg en weids was, is bij gebrek aan andere schilderijen of afbeeldingen niet te zeggen. Alleen oude kaarten geven ons een indruk van de verkavelingspatronen, die overigens tot in de 20 e eeuw grotendeels in tact zijn gebleven.

Goeree in dichtvorm
Hoe zit het intussen met het eilandje Goeree? In de beschrijving van het eiland Goeree uit 1680 van Hendrik van Dam vinden we onder meer een gedicht, waarin de natuur en schoonheid van het eiland op lyrische wijze wordt beschreven. Of nu alles een exacte weergave van de werkelijkheid is, is de vraag. Toch willen wij hieronder een frase uit het uitvoerige dichtwerk opnemen:

“Ghy vindt hier overal en voorts in ‘t heele Landt
Veel Wooningen seer dicht staen, ende wel beplant,
Met Hoenders op de Werf, en Eenden in de Sloot
Oock Gansen, Paeuwen en Kalckoenen kleyn en groot,
Veel Kudden van Patrijs, den Jager tot playsier,
Die vindt men in het Veldt, dat geeft een soet geswier,
Den Houtsnip in het Bos die kun je licht betrappen
Als ghy wel schieten kunt, of anders die ontsnappen.
Den Jager wel een reys, die niet wel is geleert,
Al maeckt hy groot geschap, hy hem niet wel en weert;
Den Vogel vliegt weer heen, hy heeft dan niet en mijt,
Sijn Hagel en sijn Kruyt raeckt hy onnutt’lijck quijt;
Ghy siet de Merl, en Spreeuw, en Vinck met groote schoolen,
De Wulp en Plavier, de Lyster blijft verhoolen
Seer dicht in het Bos, soo dat men die veel vanght,
Met stricken, wel versien, men in de Boomen hanght.
Dit geeft een soet vermaeck en eerlijck tydtverdrijf,
Hy heeft syn’s herten lust die hier hout syn verblijf.
Van Dam verhaalt voorts “daer komen veel wagens met Volck als het in de Kriekentijdt is, uyt het Eylandt van Overflacquee, die haer dan hier verlustigen, ende in het Groen onder de Bomen haer Maeltijdt doen, van het geene sy mede gebraght hebben; en nemen dan tot dissert ofte laetste Tafelgerecht, krieken, daer se haer vorders dan in versadigen: ende alsoo maken sy alhier dickmaels een vrolijcke Maeltijdt, en rijden voorts tot haer vermaeck dan eens door het Landt, en gaen op Konijnen jagen…” Het lommerrijke Ouddorp wordt door Van Dam beschreven als een “aerts Paradijs”. In de duinen lopen beekjes met zoet water. De bomen en velden zijn hier een schuilplaats voor hazen, konijnen en vogels “ende dit geeft overvloedt van Wiltbraedt aen de keucken”. Het eiland “is seer vruchtbaer in alles, de Boeren houden hier veel Beesten ende Schapen, hebben veel Hoenderen, Eenden ende Duyven op haer Werf”.

De achttiende eeuw
Door verschillende (kleinere) inpolderingen groeit Overflakkee tot één groot eiland. Tot in de 18 e eeuw vormt Goeree (Westvoorne) nog een afzonderlijk eiland. Tussen beide eilanden ligt lange tijd het eilandje Zomerland. De oudste aantekeningen betreffende Zomerland dateren uit de 13 e eeuw. Op het eilandje heeft een dorpje met kerk gestaan, maar zowel dorp als eiland zijn in de golven verdwenen. De eerste vaste verbinding tussen Goeree en Overflakkee wordt in 1751 aangelegd, dit geschiedt in opdracht van de Staten van Holland: de Statendam. Door zwaar stormweer in februari en maart van 1757 wordt een groot deel van de dam vernield, maar spoedig herstel volgt. In 1763 is er weer grote schade ontstaan aan de dam. De Staten gaan twijfelen over de instandhouding ervan. Een aantal particulieren besluit de klus te klaren en zij verhogen de dam. In 1769 kan de eerste inpoldering tegen de Damdijk gerealiseerd worden: de Adrianapolder, enkele jaren later gevolgd door de Eendrachtspolder. In laatstgenoemde polder komt het dorp Stellendam te liggen. Het eerste stenen huis van dit jongste dorp van Goeree-Overflakkee wordt in 1782 gebouwd. Na de aanleg van de Statendam is er sprake van één eiland: Goeree-Overflakkee. Zeker na de inpolderingen van de Adrianapolder en de Eendrachtspolder krijgt het eiland zijn huidige vorm.

In de 18 e eeuw verschijnen dan ook meer boerderijen in het Flakkeese landschap, veelal fraaie hofsteden. Het lijkt de boerenstand voor de wind te gaan. Het teeltplan van de boeren kan tevens worden uitgebreid met enkele nieuwe gewassen, zoals de aardappel, peulvruchten, uien en zaden. De nieuwe polders zijn qua verkaveling duidelijk anders dan hun voorgangers van twee eeuwen daarvoor. De verkaveling is veel regelmatiger, want deze is in principe reeds van tevoren op de tekentafel ontstaan. In sommige gevallen is zelfs sprake van vierkante percelen, zoals bij de Oost- en Westplaat ten noorden van Middelharnis.

De negentiende eeuw
Inmiddels is de Bataafs/Franse tijd aangebroken, een periode waarin – zeker staatkundig – veel veranderd. Vanaf 1805 gaat de Zeeuwse enclave Sommelsdijk deel uitmaken van Holland. Pas in 1812 worden Ooltgensplaat en Den Bommel, die samen eeuwenlang de ambachtsheerlijk St. Adolfsland vormen, gescheiden. In die jaren vindt een reeks van incidenten plaats tussen de eilandbewoners en de Fransen. De vissers van Middelharnis weigeren herhaaldelijk te varen voor de Franse marine. In 1813 vindt de bestorming van het fort te Ooltgensplaat plaats, waarbij inwoners uit Ooltgensplaat en andere dorpen op het eiland zijn betrokken. Veel bloed heeft er in die tijd niet gevloeid, maar de economische schade, zowel voor de visserij als voor de landbouw, is groot.

Nadien breekt een periode van herstel aan. Mede door de stijging van de prijzen van agrarische producten weet de landbouw zich binnen korte tijd redelijk te herstellen. Ook met de visserij in Middelharnis gaat het weer bergopwaarts maar de euforie daarover wordt snel getemperd door de losmaking van België, een van de belangrijkste afzetgebieden van de verse vis, zo hoog dat export naar onze zuiderburen zo goed als onmogelijk wordt. De visserij van Middelharnis krijgt daardoor een gevoelige dreun en de visafslag wordt in 1856 opgeheven. Enige tijd later neemt de visserij weer in betekenis toe om tenslotte in het begin van de 20 e eeuw te gronde te gaan. De vissers, en mensen die werkzaam zijn in aanverwante bedrijfstakken, moeten ander werk zoeken. Een groot aantal vertrekt naar andere vissersplaatsen of zoekt werk in de Rotterdamse haven.

In 1841 krijgt het eiland te maken met de Afscheiding. In 1847 wordt de eilandelijke kerk van de Afgescheidenen (te Middelharnis) alweer opgeheven, omdat “onderscheidene leden wegens bijzonder drukkende omstandigheden naar Noord Amerika vertrokken”. Eerst in 1863 sticht ds. M. Keulemans c.s. te Middelharnis een Gereformeerde Gemeente onder het Kruis. In 1867 komt er een kerk te Dirksland die weet uit te groeien tot de bakermat van de Gereformeerde Gemeenten op het eiland.

Opvallend verschijnsel in de 19 e eeuw is de massale emigratie naar met name de Verenigde Staten. Vooral uit Ouddorp en Goedereede vertrekken honderden mensen – uit armoede gedreven – naar het grote, onbekende Amerika om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Ook van Overflakkee wagen verscheidene landverhuizers de grote oversteek, onder wie veel Afgescheidenen.

De percelen landbouwgrond zijn op Goeree kleinschalig. Hier komen meer keuterboertjes voor dan op Overflakkee, waar in ruime, vruchtbare polders uitgestrekte landerijen en kapitale boerderijen zijn gelegen. De agrarische sector is een seizoensbedrijf, zodat met name in de winterrmaanden vele mensen tijdelijk werkloos zijn. Vóór 1900 hebben de boeren in deze periode, zeker voor de kostwinners, regelmatig werk. Na 1900 ontstaat door de mechanisatie en rationalisatie van de landbouw een arbeidersoverschot, dat tot een van de grootste problemen van de 20 e eeuw kan worden gerekend.

Het loon van de landarbeider is laag. Om de winter door te komen, wordt van de geringe inkomsten getracht wat geld opzij te leggen. Bovendien mesten de meeste mensen een varken voor de slacht en trachten een voorraadje aardappelen e.d. aan te leggen. De situatie wordt nu voor velen zodanig dat ze hun toekomst elders gaan zoeken, zoals in de havenstad Rotterdam. Een kleine groep is in goeden doen. Deze zogenaamde dorpselite is vertegenwoordigd in dorps-, kerk-, polder- en armbestuur. Het eiland wordt dus eigenlijk bestuurd door enkele invloedrijke families. op godsdienstig gebied nemen zij een liberalere houding aan dan de overwegend orthodoxe landarbeiders. In de 20 e eeuw wordt de relatie boer – arbeider losser en enkele landarbeiders en keuterboertjes gaan zelfs deel uitmaken van de gemeente- of de kerkenraad.

De twintigste eeuw
In de eerste helft van de 20 e eeuw was de landbouw nog steeds hoofdmiddel van bestaan. Vanaf 1890 laten echter verschillende veranderingen in de landbouw van zich spreken: de rationalisatie en later de mechanisatie. Na enkele decennia van depressie gaat het beter met de landbouw. Door de komst van kunstmest is het mogelijk af te stappen van het zogenaamde drieslagstelsel – één jaar braak, één jaar winterkoren en één jaar zomerkoren. Het braakland wordt in de zomer enkele keren omgeploegd en bemest met stalmest. Vóór 1890 beschikt men niet over voldoende (eigen) stalmest. Door schepen wordt zogenaamde straatmest uit de grote steden aangevoerd. De kunstmest zorgt ervoor, dat men minder vee nodig heeft voor de mestproductie en dat er geen straatmest meer hoeft te worden ingevoerd. Er vindt dan ook een inkrimping van de veestapel plaats, waardoor weiland kan worden toegevoegd aan het akkerbouwareaal. Weiland blijft dan beperkt tot die plaatsen waar men problemen heeft met de afwatering, de dijktaluds, de eeuwkanten en het buitendijks gebied. Landbouwvoorlichting gaat een steeds grotere rol spelen, maar ook de verbetering van de afwatering, o.a. door drainage en bemaling, werpt zijn vruchten af. Na het draineren van een perceel kunnen de erin liggende greppels worden verwijderd, dit betekent niet alleen meer landbouwgrond, maar ook minder onderhoud. De greppels moesten immers worden ontdaan van onkruid, met name kweken.

Reeds vóór 1900 hebben de dorskassen hun intrede gedaan op Goeree-Overflakkee. De overige mechanisatie van de landbouw laat nog wel even op zich wachten. Overigens moet de graanbouw gedeeltelijk plaatsmaken voor de bladgewassen als de aardappel en de suikerbiet.

In het eerste decennium worden de verbindingen met de vaste wal en de bereikbaarheid tussen de meeste dorpen onderling verbeterd. Hiervoor zijn de stoomtrams en de veerboten van de Rotterdamsche Tramweg Maatschappij (RTM) verantwoordelijk. Het centrale punt van het tramnet is het station te Middelharnis. Mede hierdoor verkrijgt Middelharnnis een centrumpositie. De nieuw opgerichte scholen voor voortgezet onderwijs, de centrale veiling en proeftuin, diverse kantoorgebouwen e.d. worden gevestigd in Middelharnis. In 1930 wordt een groot deel van het eiland van elektriciteit voorzien, in 1934 gevolgd door de drinkwaterleiding. Tevens is de oprichting van een ziekenhuis te Dirksland van groot belang. Zo zijn er tal van zaken op te noemen, waaruit blijkt dat het eiland meegaat in de vaart der volkeren.

Dan breekt in 1940 de Tweede Wereldoorlog uit. De oorlog is ook aan Goeree-Overflakkee niet ongemerkt voorbij gegaan. Van de joodse gemeenschap vinden 55 mensen de dood. De kop van het eiland gaat deel uitmaken van de Atlantikwall. Hier verrijzen talloze bunkers en andere verdedigingswerken. Het grootste deel van Overflakkee wordt in februari-maart 1944 onder water gezet: de inundatie. Diverse dorpen moeten daartoe worden ontruimd; een grote evacuatie volgt. Bovendien is de materiële schade enorm. Het zoute inundatiewater heeft de polders veranderd in troosteloze, kale vlakten. Na de bevrijding komt een periode van wederopbouw. Er worden plannen ontwikkeld voor de aanleg van een vaste oeververbinding. En toen, geheel onverwacht, wordt het eiland in de nacht 1 februari 1953 getroffen door de grootste watersnoodramp uit zijn geschiedenis. Door een combinatie van natuurkrachten stijgt het water in de Noordzee tot ongekende hoogte. Aangewakkerd door een zware storm beukt het woeste water op de dijken, waarvan vele niet zijn opgewassen tegen zulk een natuurgeweld. Er slaan zo’n 150 gaten in de buitendijken met een totale lengte van ca. 10 kilometer. Een groot aantal mensen wordt verrast in de slaap en verdronk in het koude, onstuimige water. Het dorp Oude-Tonge wordt het zwaarst getroffen: 304 mensen (ca. 10% van de bevolking) komen om in de golven. Ook in Nieuwe-Tonge en Stellendam zijn veel slachtoffers te betreuren. Alleen Melissant en Dirksland blijven droog.

Goeree-Overflakkee gaat deel uitmaken van het Deltaplan, hetgeen niet alleen betekent dat de dijken en andere zeeweringen worden verhoogd en verzwaard, maar ook dat het eiland door dammen en bruggen met het vaste land zou worden verbonden.

Bron: Streekarchief Goeree-Overflakkee

Watersnoodramp 1953
Zaterdagnacht
De watersnoodramp van zaterdag 1 februari 1953 was de grootste natuurramp die Nederland sinds de allerheiligenvloed van 1570 heeft getroffen. In zuidwest Nederland zijn toen 1835 mensen en tienduizenden dieren verdronken. Duizenden gebouwen werden zwaar beschadigd of verwoest en pas na 9 maanden kon het laatste dijkgat worden gesloten. De totale schade bedroeg anderhalf miljard gulden.

Het eiland Goeree-Overflakkee werd door deze ramp ook zwaar getroffen. Uit verschillende publicaties valt op te maken dat maar zeer weinig verantwoordelijke ambtenaren op tijd in de gaten hadden dat de situatie ernstig was. Pas toen de ramp zich in alle hevigheid aan het voltrekken was en het water op diverse plaatsen al over de dijken stroomde, kwam de bewustwording.

Geen klokkentouw in Melissant
De politiecommandant in Melissant werd om 2uur ’s nachts gewaarschuwd door de burgemeester van Middelharnis dat de noodsituatie voor het eiland is afgekondigd. De commandant heeft de burgemeester van de gemeente Dirksland en alle mensen in de omliggende polders gebeld om ze te waarschuwen om een veilig heenkomen te zoeken. Om kwart voor drie wordt hij gebeld door boer Sieling die meldt dat de Gebriellinapolder volloopt. De commandant belt andermaal de burgemeester van Dirksland en deze geeft de opdracht om groot alarm te maken. Door het uitvallen van de elektriciteit werkte de brandweersirene niet meer. Hij wilde de kerkklokken luiden, en omdat er midden in de nacht niemand met een sleutel van de kerk was, heeft hij met een voorhamer de deur van de kerk ingeslagen. Toen bleek, dat er geen klokkentouw meer was, want er was ook hier een elektrische luidinstallatie. De commandant besluit de toren in te klimmen. Boven luidt hij de klok door er met z’n voet tegen te trappen. Als hij na een tijdje weer naar beneden komt, gaat hij met enkele anderen, die intussen wakker zijn geworden, mensen in het dorp wekken door met stokken op ramen en deuren te slaan.

Zondag
Toen het zondagmorgen langzaam licht werd, werd de immensheid van de ramp pas goed duidelijk. Veel mensen zien het licht worden vanaf het dak van een huis. Overal is het uitzicht hetzelfde, men ontwaart onder de voortjagende wolken één immense vlakte water met afgebrokkelde dijken en hier en daar een boerderij of een dorpje. Hele eilanden zijn veranderd in binnenzeeën.

De rest van Nederland wist toen nog niet eens wat er zich in die nacht had afgespeeld, laat staan dat er iets van een hulporganisatie is opgezet. Gelukkig is het niet meer donker en… het wordt eb. Ondanks het feit dat de storm nog weinig is afgenomen, daalt het water flink. Al snel komen er lokaal reddingsacties op gang. Voorlopig zonder coördinatie, want veel burgemeesters en dijkgraven zijn op zondagmorgen bij hun eigen gezinnen. Ze laten het initiatief over aan toevallige burgers, mannen en jongens, van wie sommigen zich als ware helden gedragen.
Oude Tonge
Een achtienjarige jongen ziet het eerste ochtendlicht door het dakraam van het ouderlijk huis aan de Julianastraat in Oude-Tonge vallen. Hij is toen door het dakraam geklommen om te kijken hoe de situatie verder in de straat was. Hij schrok zich een ongeluk: De overkant van de straat was helemaal weg! Overal waren huizen ingestort. Er spartelden mensen tussen de ledikanten en strobalen, de deuren en stukken van schuurtjes, die rond huizen spoelden. Er waren er, die zich vastklampten aan de dakgoot.

Ruzie in Den Bommel
In Den Bommel, is die zondagmorgen al ruzie. Daar gebeurt iets héél merkwaardigs! Een paar boeren beletten dat er een gat in de dijk wordt dichtgemaakt. Het gat is ’s nachts middenin het dorp in de Molendijk gevallen. Daardoor is het dorp in twee stukken gedeeld. Omdat het gat pas laat in de nacht is ontstaan, begint het al eb te worden, en is er maar weinig water de achterliggende polder ingestroomd. De opzichter van de dijkring Flakkee denkt dat er een kans is om het gat te dichten. De hele morgen zijn er mannen aan de Schaapsweg bezig om zandzakken te vullen. Omstreeks 11 uur stroomt er nog amper water door het gat de polder in.

De bestuurders van de polder komen echter op het idee om het gat niet te sluiten. Want, zo is de redenering: via dat gat kan het water veel sneller de polder uitstromen dan via het gemaal. De opzichter is er fel tegen, want ’s middags zal er weer een vloed komen, die ongetwijfeld weer behoorlijk hoog zal zijn. De boeren vormen echter het bestuur van het waterschap en zijn dus duidelijk de baas, en de burgemeester laat er zijn oren naar hangen. Later blijkt dat dit de eerste beslissing van een waterschapsbestuur op Flakkee is, die desastreus zal uitpakken.

Tweede Vloed
Een tweede vloed zorgt op verscheidene plaatsen in het rampgebied voor nieuwe doorbraken van binnendijken. In Den Bommel stroomt het water intussen vanuit het Haringvliet via het gat in de Molendijk de polder weer in. Het betekent ook, dat ten zuiden van het dorp een binnendijk breekt. Dat is de Tilsedijk, die tot dan toe het water uit de ondergelopen polders bij Oude Tonge heeft tegengehouden, maar die niet bestand is tegen de nieuwe vloed. Door de hele reeks doorgebroken binnendijken ontstaat er een geul van de Grevelingen tot het Haringvliet en schuurt er een geweldige stroom water dwars over het eiland. Flakkee is in tweeën gebroken. Het gat in de Molendijk in Den Bommel wordt snel groter. Het zal uiteindelijk veertig! meter breed worden en twaalf huizen verdwijnen in de stroomgeul.

Stad aan ’t Haringvliet
Ten westen van Den Bommel ligt Stad aan ’t Haringvliet, een dorp met slechts 1300 inwoners. Ook daar breken de binnendijken. Het landbouwmechanisatiebedrijf aldaar heeft gelukkig de meeste rijdende machines, zoals tractors en wagens de dijk op kunnen brengen. Deze actie zal van groot belang blijken voor het dorp, want men heeft daardoor materiaal om snel aan het dijkherstel te kunnen beginnen.

Kort na middernacht meldt de ANP-telex dat het aantal doden is gestegen tot 85. Van wat er zich heeft afgespeeld – en nòg afspeelt – op Schouwen-Duiveland, op Goeree-Overflakkee en op Tholen heeft Nederland na 24 uur nog steeds geen flauw idee.

Maandag
Stad aan ’t Haringvliet is maandag nog op zichzelf aangewezen. Dat idee brengt burgemeester Brinkman tot wanhoop, want ’s morgens blijkt er een gat in de Molendijk te zijn gevallen, zodat ook Stad onder water dreigt te lopen. Hij wil het liefst alle inwoners evacueren. Maar dat is tegen de zin van de gebroeders van Rumpt, eigenaars van het landbouwmechanisatiebedrijf. Zij ontwikkelden zich maandag tot de spontane leiders van Stad aan ’t Haringvliet.

Ze hadden namelijk samen al besloten het gat te gaan dichten. Ze hadden echter wel zandzakken en grond nodig. Burgemeester Brinkman zei geen zakken te hebben en ze niet te kunnen vorderen van commissionairs. Van Rumpt is zelf naar die commissionair gestapt en hem belooft de zakken te zullen vergoeden als de gemeente in gebreke mocht blijven.

De eerste zakken grond die in het gat werden gegooid werden meteen weer door de stroom weggesleurd. Toen hebben ze een landbouwwagen volgeladen met zakken grond, zodat er misschien wel vijf ton op lag. Die wagen hebben ze in dat gat gereden, toen was het gat zó dicht.

Foto: De mannen van Stad (De vierde man van rechts met sigaret is onze opa, de vader van Moesje, Daan Ottevanger)
Dinsdag
De ramp heeft 1835 mensenlevens geëist. Mensen van alle leeftijden. De dood lijkt geen onderscheid te hebben gemaakt, maar dat is slechts schijn. Wie de adressen bekijkt en de dorpen kent, waar de grootste klappen vallen, die ziet dat er één categorie bewoners is, die onevenredig zwaar getroffen wordt.

Oude Tonge, met 305 doden. De Julianastraat is grotendeels weggevaagd, alleen al in deze straat verdrinken 65 mensen. Alle huizen hebben één overeenkomst, het zijn allemaal arbeidershuisjes. Bijna de hele arbeidersbuurt van Oude-Tonge gaat tegen de vlakte.

Deltaplan
Minister Algera installeert op 18 februari 1953 een commissie van twaalf civiel-ingenieurs, één landbouwingenieur en één econoom: de delta-commissie. Die commissie komt in februari 1954 met het advies om alle zee-armen behalve de Westerschelde af te sluiten omdat de enorme kust-verkorting met zware en hoge dammen de beste beveiliging biedt. Dat delta-plan wordt op 5 november 1957 door de Tweede kamer en op 7 mei 1958 door de Eerste Kamer aangenomen.

Echter, eer het hele delta-plan is uitgevoerd zal het volgens het werkschema 1978 zijn. Pas vanaf dat moment is het gebied beschermd tegen ‘super-vloeden’ die statistisch gezien maar één keer per vierduizend jaar voorkomen. Tót dat moment blijven grote delen van het zuidwesten nog even onveilig als vóór 1 februari 1953, er wordt op gegokt dat in de periode van 25 jaar waarin de zeegaten moeten worden afgesloten zich geen nieuwe stormvloed zal voordoen. Tot 25 jaar na de ramp blijft een deel van de bevolking van zuidwest Nederland wonen achter dezelfde dijken die in 1953 te laag bleken te zijn.

Bron: De ramp, een reconstructie van Kees Slager, De Koperen Tuin1992

error:

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten